De geschiedenis van het kerkhof

 

De tweede wereldoorlog is aan Terschelling niet ongemerkt voorbijgegaan. Het eiland werd, evenals de rest van Nederland, bezet. Eerst door enkele militairen en medio 1940 werd een hele compagnie op Terschelling gestationeerd. Het strand werd “Sperrgebiet” en de niet-eilanders moesten van het eiland af.

In de zomer van 1940 werden de eilandbewoners geconfronteerd met de verschrikkingen van de oorlog. Begin augustus spoelden er acht lichamen van militairen op het eiland aan en even later nog eens zeven. Zoiets was nog nooit voorgekomen, zoveel lichamen tegelijk. Er moesten maatregelen genomen worden om deze te begraven, maar waar? Inderhaast werd door de bezetter een terrein aangewezen en daar werden op 2 augustus de Franse soldaten begraven die de hel van Duinkerken niet hadden overleefd.

Op 7 augustus 1940 schreef burgemeester Reijnders aan de Boschwachter van Staatsbosbeheer op Terschelling een brief met de volgende inhoud:

“…dat op last van de Duitschen Commandant der troepen (Inselkommandant Klett) een stuk grond toebehorend aan het Staatsbosbeheer ingericht is als begraafplaats voor aangespoelde lijken van andere dan Duitsche militairen, benevens burgers niet-Duitsche drenkelingen. De afmetingen zijn 40 x 50 meter . Het stuk grond werd door de Inselkommandant aangewezen. Door de zorg van het gemeentebestuur is het met palen afgezet en met ijzerdraad omgeven. Reeds zijn een 25-tal lijken begraven.”

Uit de archiefstukken van het gemeentearchief van Terschelling is niet te achterhalen welke die 25 lichamen zijn. Vermoedelijk zijn hierbij de Fransen die begin augustus 1940 zijn aangespoeld. Het kerkhof lag nabij de reddingsbootschuur bij paal 8 op het Noorderstrand.

De bij de aangespoelde lichamen aangetroffen voorwerpen zoals identiteitsbewijzen, gelden en andere waarden, werden na overleg met het Nederlandse Rode Kruis naar die dienst in Den Haag gezonden.

 

Plattegrond van het kerkhof bij paal 8, situatie 1940 – 1942

 

De Rijksveldwachter Okko Jacobus Reijnders en Jan de Vries werden belast met het ophalen van de drenkelingen om die naar de begraafplaats te brengen, samen met de heer Maas die de begrafenis verzorgde.

De toenmalige gemeentewerknemer/grafdelver Andries Zorgdrager heeft bij een aantal Franse slachtoffers geholpen met het begraven van de lichamen. De heer Maas heeft alle andere geallieerde gesneuvelden opgehaald en begraven.

De drenkelingen die begin augustus 1940 aanspoelden waren Franse soldaten. Als eerste werd op 2 augustus om 16.00 uur de Franse soldaat Joseph Marie Le Neures in graf 1 begraven.

Van de geborgen lichamen werden de gegevens voor identificatie vermeld op een zgn. Verlustmeldung (zie hieronder). Veel zorg werd hieraan door de Duitsers niet besteed. Meestal kwam er een Duitse arts bij die verlof gaf tot de ter aardebestelling. De lichamen werden in een kist naar de begraafplaats gebracht.

Een kopie van het formulier werd naar het Nederlandse Rode Kruis gezonden. Op de achterzijde van dat formulier was een plattegrond van het kerkhof afgedrukt waarop de plaats van het graf aangegeven kon worden maar dit is vrijwel nooit ingevuld. Het grafnummer op de voorzijde vond men kennelijk voldoende.

Voor zover bekend werden de slachtoffers met militaire eer begraven.

 

 

Op 11 augustus 1940 werden weer 8 lichamen geborgen en op 13 augustus nog eens 7, allen Fransen. Achter in dit boekje is een lijst met hun namen opgenomen.

In de loop van 1941 begonnen de bombardementsvluchten op Duitsland. Uit de boven de Noordzee neergeschoten vliegtuigen werden sporadisch bemanningsleden gered. Het merendeel verdronk in zee en de lichamen werden door de golfstroom meegevoerd naar het noorden en kwamen uiteindelijk op de kust van een der Waddeneilanden terecht.

Alle slachtoffers die op Terschelling uit zee werden geborgen zijn bij paal 8 begraven totdat het nieuwe kerkhof aan de Longway in gebruik werd genomen. In 1941 waren er 35 graven, in 1942 was het aantal gestegen tot 75 en in april 1943 waren er 92 graven.

Het Departement van Binnenlandse Zaken, dat belast was met de registratie van neergestorte vliegers, stuurde op 22 april 1941 een brief naar de burgemeester van Terschelling met het verzoek om:

“Volledige gegevens van begravingen te melden aan de directeur van het informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis. Hiervoor zijn staten aangemaakt die de betreffende gemeente moet invullen.

De identiteit kan vastgesteld worden aan de hand van de plaatjes die om de hals gedragen worden. Een exemplaar meesturen met het ingevulde formulier en 1 plaatje wordt mee begraven. De Nederlandse exemplaren zijn van een soort rubber met perforatie over de lengte, 1 rode en 1 blauwe met dezelfde stempeling. De Franse identiteitsplaatjes zijn van metaal en de Duitse zijn van lichtmetaal.”

Op de aangespoelde lichamen werd niet altijd een dergelijk plaatje aangetroffen. Wanneer verdere identificatie niet mogelijk was, werd het lichaam begraven als onbekende soldaat.

Intussen waren de Duitsers begonnen op Terschelling een radarpost te bouwen om de geallieerde vliegtuigen, die naar Duitsland vlogen voor het uitvoeren van bombardementen, te onderscheppen. De gegevens over de vliegtuigen werden doorgeseind naar de vliegbasis Leeuwarden waar nachtjagers klaar stonden om in actie te komen. De geallieerde vliegers werden letterlijk opgewacht. Het was voor de Duitse jagers duidelijk waarheen ze moesten vliegen.

Dat er zoveel vliegverkeer bij de Waddeneilanden was kwam door het feit dat een van de aanvliegroutes vanuit Engeland naar het Duitse industriegebied ten noorden van Terschelling naar het zuiden afboog.

Toen de radarpost in werking werd genomen nam het aantal neergeschoten vliegtuigen sterk toe. Dit had tot gevolg dat er steeds meer lichamen van vliegtuigbemanningen geborgen werden. Je kunt je voorstellen dat dit een lugubere bezigheid was. Veel lichamen hadden al geruime tijd in zee gelegen en soms spoelde maar een gedeelte aan en daardoor was identificatie in een aantal gevallen onmogelijk.

Het kerkhof was slechts een kleine, kale zandvlakte met zwarte houten kruisen op de graven. Dit was kennelijk een niet te accepteren feit want op 7 juli 1941 kreeg de burgemeester een brief van de Commissaris der Provincie Noord Holland waarin stond:

…hebben de indruk dat de in uw gemeente aangelegde begraafplaats voor aangespoelde lijken, niet met die zorg en piëteit is ingericht, als moge worden geëischt met betrekking tot de laatste rustplaats van degenen die voor hun vaderland zijn gevallen. In dit opzicht steekt uwe gemeente ongunstig af bij de gemeenten Vlieland en Texel….”

Dit kwam hard aan. Een jaar later, op 10 juni 1942, kwam er weer een klachtenbrief en die werd direct behandeld. Op 9 juli 1942 ging er een antwoord naar het Nederlandse Rode Kruis:

”… In vervolge op mijn schrijven van 27 juni 1942, als antwoord op het uwe d.d. 10 juni 1942 betreffende graven van buitenlandse militairen bericht ik u dat de begraafplaats destijds een verkeerde plaats heeft gekregen waar absoluut geen plantengroei plaats heeft. Ik heb thans in overleg met Staatsbosbeheer een perceel grond gekregen, gelegen te midden van de dennenbossen op plm. 10 minuten van het dorp West-Terschelling. Dit terrein wordt voor begraafplaats aangelegd en in orde gebracht en zullen daarna ten spoedigst tot verplaatsing overgaan. Het maken van foto's zal uit den aard der zaak nog eenigen tijd traineren, doch verzeker u deze ten spoedigste te zullen laten maken.

Was getekend J. Bakker Burgemeester“

Alle graven werden na het gereedkomen van de nieuwe begraafplaats overgebracht naar de Longway. De zwarte houten kruisen werden vervangen door witte en de graven kregen een rechthoekige stenen omlijsting. Er was plaats voor 180 graven.

Op 29 augustus 1942 werd als eerste om 16.00 uur Albert E. Townsend begraven in graf 66 op de nieuwe locatie.

Plattegrond van het kerkhof aan de Longway , situatie 1942

 

Plattegrond van het kerkhof aan de Longway , huidige situatie

 

Door de gemeente werden vanzelfsprekend kosten gemaakt voor het onderhoud enz..

Op 26 oktober 1942 werd door het Rijk een aantal declaraties aan de gemeente Terschelling uitbetaald ten bedrage van ƒ 890,70. Dit betrof de kosten voor het begraven van 20 Engelse en 1 Poolse militair.

Aan de Heer Commissaris v.d. Belangen van de voormalige Nederlandse weermacht te 's-Gravenhage werden op 26 februari 1943 de volgende declaraties ingediend:

Kosten begraafplaats : 1940

ƒ 524,75

  1941 ƒ 64,06
  1942 ƒ 2325,00
De onderhoudskosten bedroegen : 1941 35 x ƒ 5,00 = ƒ 175,00
  1942 75 x ƒ 5,00 = ƒ 375,00

 

In totaal zijn er in de oorlogsjaren 151 personen begraven, waaronder 23 Fransen, 21 Amerikanen, 57 Engelsen, 5 Polen, 9 Australiërs, 9 Canadezen, 4 Nieuw Zeelanders en 1 Noor. Hiervan konden 21 niet geïdentificeerd worden, waaronder 16 Engelsen en 1 Australiër.

Op 25 augustus 1949 zijn soldaten opgegraven en met de boot naar de wal gebracht waar vandaan ze naar hun laatste rustplaats zijn vervoerd.
De onderstaande foto's zijn beschikbaar gesteld door Mevrouw van der Werff-Klijn.

 

Thans zijn er nog 84 graven.

Na WO-II werd het kerkhof aan de Longway ingericht zoals de meeste erevelden: stenen kruizen met naam, rang en leeftijd, het wapen van het legeronderdeel en datum van begraven. Centraal op het kerkhof is een monument geplaatst met Het Kruis der Opoffering. Dit monument is door R. van der Zee gemaakt.

Het onderhoud is in handen van de Gemeente Terschelling. Alle graven zijn geadopteerd door de inwoners van Terschelling en elk jaar op 4 mei is er een plechtige dodenherdenking en is het kerkhof één bloemenzee.